In tweeduizend vijfentwintig was het aandeel hernieuwbare energie in de Europese Unie zesentwintig komma twee procent. Eén jaar eerder bedroeg dat aandeel vijfentwintig komma twee procent en het blijft gestaag stijgen sinds tweeduizend vier.

De Unie mikt tegen tweeduizend dertig op een aandeel van tweeënveertig komma vijf procent hernieuwbare energie.

Dat betekent dat er tussen tweeduizend zesentwintig en dertig elk jaar gemiddelde stijgingen van drie komma drie punten nodig zijn. Zweden haalt het hoogste aandeel met vijfenzestig komma vier procent, gevolgd door Finland en Denemarken.

België bengelt onderaan met veertien komma negen procent, samen met Slovakije en Ierland. Op vlak van elektriciteit springt ook Oostenrijk eruit, terwijl hernieuwbare energie voor verwarming stijgt tot zevenentwintig komma vier procent.